Toelichting

Om goed te kunnen zien, is het belangrijk dat de beelden scherp op het netvlies terechtkomen en doorgegeven worden naar de hersenen, zodat de beelden op de juiste manier herkend en vertaald kunnen worden. De oogspieren sturen de oogbollen aan, het hoornvlies en de ooglens breken de stralen van de binnenkomende beelden, zo dat zij scherp op het netvlies belanden. Zijn er problemen op dit vlak dan kan dat onderzocht en behandeld worden door opticiens, orthoptisten en (functionele) optometristen met een corrigerende bril. Soms wordt er dan een (optische) prisma voorgeschreven.

Maar de beelden moeten ook scherp blijven, ongeacht of deze bewegen, of dat het hoofd of het hele lichaam beweegt.
Om dit te bereiken is de invloed van het evenwichtsorgaan essentieel, en juist dat gedeelte, de vestibulaire factor, wordt naast het bovenbeschreven, optische gedeelte, alléén door de artsen van de Utermöhlen-Werkgroep onderzocht en behandeld met behulp van een Utermöhlen-prismabril.

In 1941 heeft Utermöhlen hiervoor een richtlijn ontwikkeld, naar aanleiding van de verschijnselen bij de ziekte van Ménière. Hij beïnvloedde door deze methode de interactie tussen de signalen afkomstig uit evenwicht, ogen en het diepe gevoel in de spieren. Signalen die alle drie noodzakelijk zijn om de mens informatie te verschaffen over de orientatie van de ruimte om hem heen en van het eigen lichaam.